1 Verse:
O Vader, Die in 't Hemelryk
Gezeten, zegt, dat wy, gelyk
Het Kindren past, met smeekgebeên
Voor Uwen Zetel moeten treên;
Geef dat wy niet slegts met den mond
U bidden, maar uit s' harten grond.
2 Verse:
Geheiligt zy Uw Naam ô Heer!
Uw Woord blyv' zuiver, U ter Eer:
Ons leven zy bevryd van blaam
Tot roem van Uwen grooten Naam:
Beveilig ons van valsche leer:
Geef dat zich 't dwalend Volk bekeer.
3 Verse:
Uw Koningryk word uitgebreid,
En blyve tot in Eeuwigheid:
Schenk ons de gaven van den Geest,
Zoo word Gy recht van ons gevreest;
Verbreek des Satans sterk geweld:
In ruimte zy Uw Kerk gesteld.
4 Verse:
Uw wil geschied' op aard, gelyk
Die word volbracht in 't Hemelryk:
Geef ons geduld in tegenspoed,
Gehoorzaamheid in zuur en zoet:
Verbreek in ons, het geen Gy haat,
En Uw bevelen wederstaat.
5 Verse:
Geef heden ons ons daaglyks brood:
Vervul all onzen lichaams nood:
Behoed ons toch van twist en stryd,
Van ziekte, honger, duuren tyd.
Laat ons in vreed' en voorspoed staan,
Door slaafsche zorg, noch vrees belaân.
6 Verse:
Vergeef ons onze schulden, Heer!
Dat zy ons niet bedroeven meer;
Gelyk wy ook uit 's harten grond
Vergeven, die ons schuldig stondt:
Tot Uwen dienst maak ons bereid,
In rechte liefd' en eenigheid.
7 Verse:
Stel ons niet aan verzoeking bloot,
Als ons de Satan brengt in nood:
Help ons, ter recht' en linkerhand,
Heldhaftig bieden tegenstand,
Door 's Geestes troost, by 't grootst gevaar
In ons Geloof onwankelbaar.
8 Verse:
Ach help ons tegen alle kwaad
En 's Vyands list en wreden haat:
Verlos ons van den tweeden dood,
En troost ons in den jongsten nood:
Geef ons een Zalig eind, o Heer!
Neem onze Zielen op in eer.
9 Verse:
Want Uw, o Vader! is het Ryk;
Wie is aan U in magt gelyk?
Geef, dat wy luistren naar Uw wil,
En in Uw heil berusten stil:
Door ons Uw kracht en heerlykheid
Zy nu en eeuwig uitgebreid.
10 Verse:
Ons Amen zegt het worde waar!
En 't zal zoo zyn, o dat wy maar
In ons geloove zeker staan!
Dat Gy neemt onze smeeking' aan!
Wy zeggen Amen wyl Uw woord
Verzekert dat Gy ons verhoordt.